De weerslag van COVID-19 op het burgerlijk procesrecht: de regering treft een tijdelijke regeling

16 apr. 2020
Case Study /
De weerslag van COVID-19 op het burgerlijk procesrecht: de regering treft een tijdelijke regeling

Op 9 april 2020 werd het bijzondere volmachtsbesluit uitgevaardigd waarin enkele praktische gevolgen van de getroffen COVID-19 maatregelen voor de burgerlijke procedures worden geregeld.

De regering heeft vooreerst voorzien in een verlenging van termijnen die verstrijken tijdens de crisisperiode, i.e. tussen 9 april en 3 mei 2020. Deze periode kan desgevallend worden verlengd in functie van de evolutie van de eventueel nog te treffen overheidsmaatregelen ter bestrijding van COVID-19.

Met deze verlenging wil de regering tegemoet komen aan het risico dat - omwille van de getroffen crisismaatregelen - bepaalde rechtshandelingen niet tijdig zouden kunnen worden gesteld. Met deze regeling moet eenieder de kans krijgen om binnen een redelijke termijn na het aflopen van de crisisperiode, alsnog in rechte op te treden.

De actuele omstandigheden staan niet toe om voor elk van de talloze situaties en wettelijk bepaalde termijnen telkens afzonderlijk de perfect proportionele verlenging te bepalen. Ter bevordering van de rechtszekerheid is er gekozen voor een uniforme, a.h.w. forfaitaire regeling van een verlenging met één maand na het einde van voormelde crisisperiode.

De eerste categorie van termijnen die worden verlengd zijn de termijnen van rechtspleging en de termijnen om een rechtsmiddel aan te wenden. Dit betreft termijnen waarvan het verstrijken werkelijk tot verval of tot een andere sanctie leidt. Gedacht kan worden aan conclusietermijnen, termijnen om hoger beroep of (derden)verzet aan te tekenen of de termijn om een cassatievoorziening in te dienen.

Louter indicatieve termijnen of wachttermijnen vallen buiten het toepassingsgebied van deze regeling. Het KB sluit daarnaast ook strafprocedures (behoudens voor wat de burgerlijke belangen betreft), tuchtprocedures en ordemaatregelen van het toepassingsgebied uit.

De betreffende termijnen worden verlengd tot één maand na afloop van de bepaalde crisisperiode. Gezien de crisisperiode thans is vastgelegd tot 3 mei 2020, worden de termijnen verlengd tot 3 juni 2020.

In gerechtelijke procedures kan deze wettelijke verlenging evenwel gevolgen hebben voor elkaar opvolgende rechtshandelingen, m.n. bij het nemen van conclusies. Als gevolg van de verlenging van de eerste termijn, zal ook een daaropvolgende termijn (die mogelijk buiten de crisisperiode verloopt) desgevallend niet kunnen worden nageleefd, of zal een zaak op een eerder bepaalde rechtsdag nog niet in staat zijn om te worden behandeld. Bijgevolg voorziet het KB in een regeling waarbij alle termijnen in gelijke mate mee opschuiven. Alleen een termijn die verstrijkt in de eigenlijke crisisperiode wordt werkelijk verlengd, alle daaropvolgende termijnen worden louter doorgeschoven. De termijnen die verstrijken na de crisisperiode duren aldus even lang als voorheen, alleen beginnen ze later te lopen.

Een voorbeeld. Stel dat A conclusie moest nemen tegen 30 april 2020 en B tegen 31 juli 2020. De termijn van A zal worden verlengd tot 3 juni 2020. De vervaldatum van B zal worden ‘opgeschoven met dezelfde duur, zijnde 34 dagen, dus tot en met 3 september 2020. Zijn termijn zal dus niet worden ‘verlengd’, want B zal nog steeds beschikken over een termijn van drie maanden.

Indien de pleitzitting niet kan worden behouden omdat ze uiteindelijk minder dan een maand na het verstrijken van de laatste termijn volgt, wordt zij verdaagd. Voormelde regeling kan aldus slechts gerechtelijke achterstand in de hand werken in die gevallen waarin de allerlaatste termijn verstrijkt minder dan één maand voor de geplande zitting. In alle andere gevallen blijft de voorziene rechtsdag immers behouden.

Dit alles gebeurt van rechtswege. Partijen zelf moeten niets doen, de wet past voor hen de termijnregelingen aan. De rechtbank zal eventueel enkel een nieuwe rechtsdag moeten meedelen. Het begrip ‘van rechtswege’ leidt inmiddels tot interessante interpretaties; het Antwerpse hof van beroep heeft op 13 april jl. op zijn website een communiqué geplaatst met de melding dat de partijen toch een akkoord kunnen maken om de originele pleitdatum te behouden, zelfs indien die dan minder dan een maand na de laatste (verlengde) conclusietermijn zou vallen.

Het KB voorziet tot slot in een summiere contradictoire procedure om bezwaar in te dienen tegen de verlenging van de termijnen van rechtspleging. I.g.v. spoedeisendheid en wanneer de vertraging gevaar zou opleveren, kan iedere partij daartoe een gemotiveerd verzoek aan de rechter richten. Dit kan mondeling ter terechtzitting, dan wel schriftelijk. Een schriftelijk verzoek dient tezelfdertijd meegedeeld aan de rechter en aan de andere partijen, die hun schriftelijke opmerkingen op hun beurt kunnen bezorgen binnen de acht dagen. De rechter beslist soeverein over dit verzoek. Er staat geen rechtsmiddel tegen open.

De tweede categorie termijnen die middels voormeld KB worden verlengd zijn de verjaringstermijnen en andere termijnen om een vordering in rechte in te stellen. Naar analogie met bovenstaande regeling, betreft dit ook enkel termijnen binnen het burgerlijk procesrecht. Het is echter niet altijd duidelijk welke termijnen wel en welke hierdoor niet worden getroffen. De verlenging gebeurt tevens van rechtswege en strekt ook telkens tot één maand na afloop van de crisisperiode. Een verjaringstermijn die op 20 april zou vestrijken, wordt - behoudens eventuele verlenging van de crisisperiode - aldus verlengd tot 3 juni.

Naast de verlenging van termijnen, voorziet het KB ook in de bevestiging van de schriftelijke procedure als (tijdelijke) regel. Deze maatregel strekt ertoe fysiek contact – ook op de hoven en rechtbanken – zo veel als mogelijk te vermijden. De schriftelijke procedure impliceert dat zaken die in staat zijn, van rechtswege in beraad worden genomen op basis van de overgelegde conclusies en stukken, zonder mondeling pleidooi.

Deze regeling geldt enkel voor:

- burgerlijke procedures. Strafprocedures vallen buiten het toepassingsgebied, tenzij zij enkel burgerlijke belangen betreffen.

- zaken waarvan de rechtsdag was gefixeerd tussen 11 april en 3 juni 2020. Deze periode kan desgevallend worden verlengd in functie van de verdere ontwikkelingen van COVID-19.

- zaken waarin alle partijen conclusies hebben neergelegd. Dit impliceert dat zaken waarin een partij zonder raadsman optreedt en bijgevolg niet vertrouwd is met de schriftelijke uitwisseling van de standpunten, niet voor deze regeling in aanmerking komen. Deze voorwaarde sluit in de praktijk tevens de mogelijkheid van een verstekvonnis (ex artikel 804 Ger. W.) uit. Tot slot zal ook de toepassing op zaken die op de inleidingszitting (ex artikel 735 Ger. W.) worden behandeld, quasi-uitgesloten zijn. Het laatste zou enkel het geval kunnen zijn, indien alle partijen voor de inleidingszitting reeds hebben concludeerd.

Partijen hebben evenwel de mogelijkheid om het in beraad nemen van hun zaak zonder pleidooien te weigeren. Zij krijgen de kans om hun bezwaren op schriftelijke en gemotiveerde wijze te doen kennen. Deze bezwaren kunnen per DPA- of e-Deposit, dan wel per post of fysiek ter kennis worden gebracht van de griffie en de tegenpartij(en). Dit dient te geschieden (i) ten laatste de dag voor de rechtsdag voor de zaken die waren gefixeerd t.e.m. 17 april 2020 en (ii) ten laatste een week voor de rechtsdag voor zaken die waren gefixeerd tussen 18 april en 3 juni 2020.

Als alle partijen zich verzetten, wordt de zaak uitgesteld. Als géén van de partijen of slechts één of enkele van de partijen zich verzetten, beslist de rechter of (i) de zaak alsnog te behandelen (desgevallend per videoconferentie), of (ii) de zaak uit te stellen, of (iii) ze zonder pleidooien in beraad te nemen.

De rechter oordeelt hierover soeverein, rekening houdend met alle omstandigheden eigen aan de zaak. Er staat geen rechtsmiddel open tegen de beslissing omtrent de schriftelijke procedure.

Indien de zaak zonder pleidooien in beraad wordt genomen, staat het de rechter vrij om achteraf nog om mondelinge opheldering te vragen. Dit kan tot één maand na de initiële inberaadname. Partijen zullen in voorkomend geval toelichting kunnen verschaffen per videoconferentie, waarna de zaak definitief in beraad wordt genomen.

Heeft u vragen over de impact van deze maatregelen op uw procedure? Contacteer Portelio voor meer info.

Advies
of bijstand 
op maat?